De Koran lezen
Arabische tekst, vertaling en recitatie per aya.
الفَجۡرِ
Al-Fajr · Juz 30 · Pagina 593
Hamzat wasl
Madd (normaal)
Madd (verplicht)
Madd (toegestaan)
Qalqalah
Ghunnah
Idghaam
Stille letter
◆
الفَجۡرِ
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
◆
١
وَٱلْفَجْرِ١
Bij de dageraad!
٢
وَلَيَالٍ عَشْرٍ٢
Bij tien nachten!
٣
وَٱلشَّفْعِ وَٱلْوَتْرِ٣
Bij even en oneven!
٤
وَٱلَّيْلِ إِذَا يَسْرِ٤
Bij de nacht wanneer hij afloopt!
٥
هَلْ فِى ذَٲلِكَ قَسَمٌ لِّذِى حِجْرٍ٥
Is dat zo geen eed voor wie verstand heeft?
٦
أَلَمْ تَرَ كَيْفَ فَعَلَ رَبُّكَ بِعَادٍ٦
Heb jij niet gezien hoe jouw Heer met de 'Aad gehandeld heeft?
٧
إِرَمَ ذَاتِ ٱلْعِمَادِ٧
Met Iram van de pilaren,
٨
ٱلَّتِى لَمْ يُخْلَقْ مِثْلُهَا فِى ٱلْبِلَـٰدِ٨
zoals er in het land nooit geschapen waren?
٩
وَثَمُودَ ٱلَّذِينَ جَابُواْ ٱلصَّخْرَ بِٱلْوَادِ٩
En de Thamoed die de rotsen in de vallei uithieuwen?
١٠
وَفِرْعَوْنَ ذِى ٱلْأَوْتَادِ١٠
En met Fir'aun van de tentpinnen?
١١
ٱلَّذِينَ طَغَوْاْ فِى ٱلْبِلَـٰدِ١١
Die allen onbeschaamd in het land optraden?
١٢
فَأَكْثَرُواْ فِيهَا ٱلْفَسَادَ١٢
En die toen steeds meer verderf brachten?
١٣
فَصَبَّ عَلَيْهِمْ رَبُّكَ سَوْطَ عَذَابٍ١٣
Toen liet God de gesel van de bestraffing over hen heen gaan.
١٤
إِنَّ رَبَّكَ لَبِٱلْمِرْصَادِ١٤
Jouw Heer ligt in de hinderlaag.
١٥
فَأَمَّا ٱلْإِنسَـٰنُ إِذَا مَا ٱبْتَلَـٰهُ رَبُّهُۥ فَأَكْرَمَهُۥ وَنَعَّمَهُۥ فَيَقُولُ رَبِّىٓ أَكْرَمَنِ١٥
Maar de mens zegt, wanneer zijn Heer hem op de proef stelt en hem dan mild behandelt en een aangenaam leven geeft: "Mijn Heer heeft mij mild behandeld."
١٦
وَأَمَّآ إِذَا مَا ٱبْتَلَـٰهُ فَقَدَرَ عَلَيْهِ رِزْقَهُۥ فَيَقُولُ رَبِّىٓ أَهَـٰنَنِ١٦
Maar als Hij hem op de proef stelt en hem dan zijn levensonderhoud beperkt dan zegt hij: "Mijn Heer heeft mij vernederd."
١٧
كَلَّاۖ بَل لَّا تُكْرِمُونَ ٱلْيَتِيمَ١٧
Welnee, maar jullie behandelen de wees niet mild.
١٨
وَلَا تَحَـٰٓضُّونَ عَلَىٰ طَعَامِ ٱلْمِسْكِينِ١٨
En jullie sporen elkaar niet aan de behoeftige voedsel te geven.
١٩
وَتَأْكُلُونَ ٱلتُّرَاثَ أَكْلاً لَّمًّا١٩
Jullie verteren het erfdeel gretig.
٢٠
وَتُحِبُّونَ ٱلْمَالَ حُبًّا جَمًّا٢٠
Jullie zijn volkomen verzot op bezit.
٢١
كَلَّآ إِذَا دُكَّتِ ٱلْأَرْضُ دَكًّا دَكًّا٢١
Maar nee, wanneer de aarde tot gruis vergruisd wordt
٢٢
وَجَآءَ رَبُّكَ وَٱلْمَلَكُ صَفًّا صَفًّا٢٢
en jouw Heer en de engelen komen, in rij na rij,
٢٣
وَجِاْىٓءَ يَوْمَئِذِۭ بِجَهَنَّمَۚ يَوْمَئِذٍ يَتَذَكَّرُ ٱلْإِنسَـٰنُ وَأَنَّىٰ لَهُ ٱلذِّكْرَىٰ٢٣
en op die dag de hel gebracht wordt, op die dag laat de mens zich vermanen. Maar wat moet hij dan met de vermaning?
Pagina 593 · ٥٩٣