De Koran lezen

Arabische tekst, vertaling en recitatie per aya.

المَعَارِجِ Al-Ma'aarij · Juz 29 · Pagina 570
Hamzat wasl Madd (normaal) Madd (verplicht) Madd (toegestaan) Qalqalah Ghunnah Idghaam Stille letter
٤٠
فَلَآ أُقْسِمُ بِرَبِّ ٱلْمَشَـٰرِقِ وَٱلْمَغَـٰرِبِ إِنَّا لَقَـٰدِرُونَ٤٠
Niet dan? Ik zweer bij de Heer van de oostkanten en de westkanten dat Wij in staat zijn
٤١
عَلَىٰٓ أَن نُّبَدِّلَ خَيْرًا مِّنْهُمْ وَمَا نَحْنُ بِمَسْبُوقِينَ٤١
om hen door iets beters te vervangen en niemand kan Ons voor zijn.
٤٢
فَذَرْهُمْ يَخُوضُواْ وَيَلْعَبُواْ حَتَّىٰ يُلَـٰقُواْ يَوْمَهُمُ ٱلَّذِى يُوعَدُونَ٤٢
Laat hen maar kletsen en schertsen totdat zij hun dag tegenkomen die hun wordt aangezegd,
٤٣
يَوْمَ يَخْرُجُونَ مِنَ ٱلْأَجْدَاثِ سِرَاعًا كَأَنَّهُمْ إِلَىٰ نُصُبٍ يُوفِضُونَ٤٣
de dag waarop zij snel uit de graven tevoorschijn komen alsof zij zich naar hun afgod haasten,
٤٤
خَـٰشِعَةً أَبْصَـٰرُهُمْ تَرْهَقُهُمْ ذِلَّةٌ‌ۚ ذَٲلِكَ ٱلْيَوْمُ ٱلَّذِى كَانُواْ يُوعَدُونَ٤٤
terwijl zij met hun deemoedige blikken met vernedering overdekt worden. Dat is de dag die hun was aangezegd.
نُوحٍ
71. Nooh · Meccaans · 28 aya's
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
١
إِنَّآ أَرْسَلْنَا نُوحًا إِلَىٰ قَوْمِهِۦٓ أَنْ أَنذِرْ قَوْمَكَ مِن قَبْلِ أَن يَأْتِيَهُمْ عَذَابٌ أَلِيمٌ١
Wij hebben Noeh naar zijn volk gezonden: "Waarschuw jouw volk voordat een pijnlijke bestraffing tot hen komt."
٢
قَالَ يَـٰقَوْمِ إِنِّى لَكُمْ نَذِيرٌ مُّبِينٌ٢
Hij zei: "Mijn volk! Ik ben voor jullie een duidelijke waarschuwer
٣
أَنِ ٱعْبُدُواْ ٱللَّهَ وَٱتَّقُوهُ وَأَطِيعُونِ٣
dat jullie God moeten dienen, Hem moeten vrezen en mij moeten gehoorzamen.
٤
يَغْفِرْ لَكُم مِّن ذُنُوبِكُمْ وَيُؤَخِّرْكُمْ إِلَىٰٓ أَجَلٍ مُّسَمًّى‌ۚ إِنَّ أَجَلَ ٱللَّهِ إِذَا جَآءَ لَا يُؤَخَّرُ‌ۖ لَوْ كُنتُمْ تَعْلَمُونَ٤
Dan zal Hij voor zonden van jullie vergeving schenken en jullie uitstel verlenen tot een vastgestelde termijn. Maar Gods termijn wordt niet uitgesteld wanneer hij komt, als jullie dat maar wisten."
٥
قَالَ رَبِّ إِنِّى دَعَوْتُ قَوْمِى لَيْلاً وَنَهَارًا٥
Hij zei: "Mijn Heer, ik heb mijn volk nacht en dag opgeroepen,
٦
فَلَمْ يَزِدْهُمْ دُعَآءِىٓ إِلَّا فِرَارًا٦
maar mijn oproep heeft hen alleen maar meer laten vluchten.
٧
وَإِنِّى كُلَّمَا دَعَوْتُهُمْ لِتَغْفِرَ لَهُمْ جَعَلُوٓاْ أَصَـٰبِعَهُمْ فِىٓ ءَاذَانِهِمْ وَٱسْتَغْشَوْاْ ثِيَابَهُمْ وَأَصَرُّواْ وَٱسْتَكْبَرُواْ ٱسْتِكْبَارًا٧
En telkens als ik hen opriep, opdat U hun zou vergeven, stopten zij hun vingers in hun oren, bedekten zich met hun kleren en bleven stijfkoppig en hoogmoedig.
٨
ثُمَّ إِنِّى دَعَوْتُهُمْ جِهَارًا٨
Toen riep ik hen in het openbaar op.
٩
ثُمَّ إِنِّىٓ أَعْلَنتُ لَهُمْ وَأَسْرَرْتُ لَهُمْ إِسْرَارًا٩
Toen sprak ik openlijk en in het diepste geheim met hen.
١٠
فَقُلْتُ ٱسْتَغْفِرُواْ رَبَّكُمْ إِنَّهُۥ كَانَ غَفَّارًا١٠
En ik zei: 'Vraagt jullie Heer om vergeving; Hij is vergevend.
Pagina 570 · ٥٧٠