De Koran lezen
Arabische tekst, vertaling en recitatie per aya.
النَّمۡلِ
An-Naml · Juz 19 · Pagina 377
Hamzat wasl
Madd (normaal)
Madd (verplicht)
Madd (toegestaan)
Qalqalah
Ghunnah
Idghaam
Stille letter
◆
النَّمۡلِ
بِسْمِ ٱللَّهِ ٱلرَّحْمَٰنِ ٱلرَّحِيمِ
◆
١
طسٓۚ تِلْكَ ءَايَـٰتُ ٱلْقُرْءَانِ وَكِتَابٍ مُّبِينٍ١
T[aa?] S[ien]. Dit zijn de tekenen van de Koran en een duidelijk boek.
٢
هُدًى وَبُشْرَىٰ لِلْمُؤْمِنِينَ٢
Een leidraad en goed nieuws voor de gelovigen,
٣
ٱلَّذِينَ يُقِيمُونَ ٱلصَّلَوٲةَ وَيُؤْتُونَ ٱلزَّكَوٲةَ وَهُم بِٱلْأَخِرَةِ هُمْ يُوقِنُونَ٣
die de salaat verrichten en de zakaat geven, terwijl zij van het hiernamaals vast overtuigd zijn.
٤
إِنَّ ٱلَّذِينَ لَا يُؤْمِنُونَ بِٱلْأَخِرَةِ زَيَّنَّا لَهُمْ أَعْمَـٰلَهُمْ فَهُمْ يَعْمَهُونَ٤
Voor hen die niet in het hiernamaals geloven hebben Wij hun daden mooi laten lijken, zodat zij doorgaan met dwalen.
٥
أُوْلَـٰٓئِكَ ٱلَّذِينَ لَهُمْ سُوٓءُ ٱلْعَذَابِ وَهُمْ فِى ٱلْأَخِرَةِ هُمُ ٱلْأَخْسَرُونَ٥
Zij zijn het voor wie de vreselijke bestraffing is en zij zijn in het hiernamaals de grootste verliezers.
٦
وَإِنَّكَ لَتُلَقَّى ٱلْقُرْءَانَ مِن لَّدُنْ حَكِيمٍ عَلِيمٍ٦
En aan jou wordt de Koran overgebracht van de kant van een wijze en wetende.
٧
إِذْ قَالَ مُوسَىٰ لِأَهْلِهِۦٓ إِنِّىٓ ءَانَسْتُ نَارًا سَـَٔـاتِيكُم مِّنْهَا بِخَبَرٍ أَوْ ءَاتِيكُم بِشِهَابٍ قَبَسٍ لَّعَلَّكُمْ تَصْطَلُونَ٧
Toen Moesa tot zijn mensen zei: "Ik heb een vuur waargenomen, ik zal jullie er bericht van brengen of ik breng jullie een brandende fakkel; misschien zullen jullie [erdoor] verwarmd worden."
٨
فَلَمَّا جَآءَهَا نُودِىَ أَنۢ بُورِكَ مَن فِى ٱلنَّارِ وَمَنْ حَوْلَهَا وَسُبْحَـٰنَ ٱللَّهِ رَبِّ ٱلْعَـٰلَمِينَ٨
Toen hij daar kwam werd hem toegeroepen: "Gezegend is Hij die in het vuur is en wie er rondom is en God zij geprezen, de Heer van de wereldbewoners.
٩
يَـٰمُوسَىٰٓ إِنَّهُۥٓ أَنَا ٱللَّهُ ٱلْعَزِيزُ ٱلْحَكِيمُ٩
O Moesa, Ik ben het, God, de machtige, de wijze."
١٠
وَأَلْقِ عَصَاكَۚ فَلَمَّا رَءَاهَا تَهْتَزُّ كَأَنَّهَا جَآ[g[نٌّ و]َلَّىٰ مُدْبِرًا وَلَمْ يُعَقِّبْۚ يَـٰمُوسَىٰ لَا تَخَفْ إِنِّى لَا يَخَافُ لَدَىَّ ٱلْمُرْسَلُونَ١٠
En: "Werp je staf." Maar toen hij zag dat hij zich bewoog als een slang keerde hij hem de rug toe en draaide zich niet meer om. "O Moesa, wees niet bang. Bij Mij zijn de gezondenen niet bang,
١١
إِلَّا مَن ظَلَمَ ثُمَّ بَدَّلَ حُسْنَۢا بَعْدَ سُوٓءٍ فَإِنِّى غَفُورٌ رَّحِيمٌ١١
behalve hij die onrecht pleegt. Maar als hij het na de slechte daad door iets goeds vervangt, dan ben Ik vergevend en barmhartig.
١٢
وَأَدْخِلْ يَدَكَ فِى جَيْبِكَ تَخْرُجْ بَيْضَآءَ مِنْ غَيْرِ سُوٓءٍۖ فِى تِسْعِ ءَايَـٰتٍ إِلَىٰ فِرْعَوْنَ وَقَوْمِهِۦٓۚ إِنَّهُمْ كَانُواْ قَوْمًا فَـٰسِقِينَ١٢
En steek je hand in je boezem, dan zal zij wit, maar zonder iets slechts tevoorschijn komen als een van negen tekenen voor Fir'aun en zijn volk. Zij zijn verdorven mensen."
١٣
فَلَمَّا جَآءَتْهُمْ ءَايَـٰتُنَا مُبْصِرَةً قَالُواْ هَـٰذَا سِحْرٌ مُّبِينٌ١٣
Toen dan Onze tekenen duidelijk zichtbaar tot hen kwamen zeiden zij: "Dit is duidelijk toverij."
Pagina 377 · ٣٧٧